Papieren Vleugels (film/proza, 2006)

Het verhaal Papieren Vleugels won de kerstverhalen/scenariowedstrijd 2006 van de NCRV, Spits & Man Bijt Hond. De verfilming van het verhaal was te zien in de kersteditie 2006 van Man Bijt Hond.

.

.

Mijn zusje hield op met eten omdat ze kerstengel wilde worden. Dat was op zich niets nieuws. Zolang ik me kon herinneren deed ze pogingen om engel te worden.

Het begon onschuldig; kriebeltjes in de kantlijn van harkenpopjes met vleugels en lange, blonde krullen, die ze in grote cirkels over het papier heen kraste. Later, diezelfde poppetjes geknipt uit papier, tientallen, door de hele kamer. Mijn moeder vloekte, omdat ze de stofzuiger verstopten, maar mijn zusje knipte door.

Weer later kwamen de eerste natuurkundige experimenten. Mijn zusje sneed grote vleugels uit bordkarton en liet zich door mijn vader de lucht in slingeren. Maar hoe vaak ze het ook probeerde en hoe heftig ze ook met haar vleugels sloeg, iedere keer maakte ze hetzelfde keurige boogje en landde op haar voeten.

“Het is jouw schuld,” zei ze tegen vader. “Je bent niet sterk genoeg.” In haar mening was het God zelf die zijn engelen met een oerkracht het heelal in slingerde.

“Nee hoor,” zei mijn vader. “Het komt door de zwaartekracht. Je bent te zwaar voor die vleugels van je.”

Mijn zusje huilde.

Ik nam haar mee naar de duinen, het jaar daarop. Wees haar op de heuvels die een beter uitgangspunt waren dan de arm van vader. Ik zette haar op de slee en trok haar naar beneden, terwijl de sneeuw opspatte en haar papieren vleugels klapperden in de wind.

Ze had drie blauwe plekken en haar duim was gebroken. Mijn ouders keken mij er op aan, maar ik had alleen maar willen helpen.

Drie maanden voor de volgende Kerstmis hield ze op met eten. Mijn moeder dacht eerst dat het gewoon een bevlieging was. Net zoals af en toe de Zielige Beesten Discussie opleefde. Dit zou ook wel overwaaien. Zwijgend kieperde ze het eten van mijn zusje in de vuilnisbak.

Na twee weken was mijn zusje drie kilo afgevallen. En omdat ze bepaald niet overdadig gebouwd was, stelde moeder gelijk een noodplan op. Ze kookte al mijn zusjes lievelingsgerechten, maar zonder resultaat, want mijn zusje hield haar kaken stijf op elkaar.

Tenslotte kwam de buurtdokter opdraven, die een rij modieuze eetstoornissen uit een boek opdreunde, maar de wens van mijn zusje ‘om engel te worden’ niet kon plaatsen. Hij droop af, verward, het dikke boek onder zijn arm.

Mijn zusje vroeg me mee naar de duinen. Er was weinig meer van haar over. Haar witte prinsessenpyjama hing slap rond haar lichaam. Ze had nog het meeste weg van het geraamte van een kaalgeplukte kerstboom.

“Hier,” zei ze en drukte een stuk touw in mijn hand. Ze had het uiteinde rond haar enkel gebonden.

“Wat ga je doen?” zei ik verbaasd.

“Vliegen,” zei ze en het klonk heel logisch.

Ze nam een aanloop en rende langs me heen, richting de helling. Steeds harder ging ze, steeds maar naar beneden, tot ze plots wind ving. Een harde bries zwiepte haar de lucht in, in één vloeiende beweging, of ze niets woog. Ik was te verbaasd om maar iets te denken, te voelen, te schreeuwen. Hoog boven mij zweefde mijn zusje in de lucht.

Het touw was uit mijn hand gesprongen. Het bengelde in de lucht, een paar meter boven mij en sprong plagerig op en neer, steeds hoger en hoger, tot het met mijn zusje in het niets was verdwenen.