Volksmuzoek

Posted on May 14, 2012

Er zijn me een heleboel dingen bijgebleven aan wonen in Wenen, zoals de voorliefde voor ongeschreven gedragsregels, de stiekeme heimwee naar Habsburger hoogtijdagen (“Johan Strauss wachtte hier in 1870 5 minuten op de bus”, “bij deze slager bestelde Sissi 300 gram rundergehakt”) en mijn hardnekkige allergie voor Schweingebratt.

Maar dat alles heeft me niet zo verbaasd als het fenomeen dat intrinsiek verbonden lijkt aan wonen in het buitenland: de regelmaat waarmee je wordt uitgelachen.

.:.

Nu is die drang geheel wederzijds, getuige de eerste alinea van dit stuk, maar toch is het anders als je zelf ineens de benadeelde partij bent. En ook niet per se de humor inziet van de overgave waarmee een hele tafel gedragsregelfanaten om je uitspraak van de “eu”-klank zit te schuddebuiken. Of het feit dat je iemand wil bellen.

“Bellen?” vraag je dan. “Wat is er zo grappig aan bellen?”

Tot je wordt uitgelegd dat dat is wat honden doen. Bellen. “Dus het klinkt net alsof je zegt dat je iemand hebt opgeblaft!”

En dat uit de mond van een volk dat denkt dat het normaal is om drie of meer medeklinkers achter elkaar te plakken (kaiserschmarrn? Weinstüblrn? Serieus?) Of om Zwarte Piet een gewei te geven. Om maar wat te noemen.

.:.

Maar goed, zoals ook David Livingstone zich waarschijnlijk aanvankelijk een breuk heeft gelachen in Afrika voor hij zich herpakte en stierf aan de gorgelende giraffentyfus, zo wil ik bij dezen een laatste handreiking doen naar het buitenland waar ik tien weken lang met erg veel plezier heb gewoond.

Want naast ons onvermogen om “eu” als “oi” te lezen, onze shockerende directheid en vermogen tot zelfspot zijn Jan ik ik als afsluiting meewarig toegelachen om ons nationale gebrek aan jawel, volksmuziek.

.:.

Een restantje daarvan hangt nog wel in de kustplaatsen. Of in cafés waar Frans Bauer wordt gedraaid. Maar dat is nauwelijks te vergelijken met de in dirndl gehesen jongelui en ouwevolk die traditionele liederen zingen over ‘s provinciaals schoon. Daarvoor ontbreekt het ons denk ik aan die nostalgisch nationalistische inborst waar Oostenrijkers wel mee geboren worden. Wat jammer is, want het lijkt me hilarisch om in Utrechtse klederdracht – wat dat ook mag zijn – een beetje te murmelen over de heuvelrug en de onoverzichtelijke verkeersrotondes.

Gelukkig zijn Nederlanders in ruil daarvoor wel praktisch.

Dus bij dezen heb ik het probleem heel praktisch opgelost. Ik heb een stukje volksmuziek gefaked dat aan alle Oostenrijkse voorwaarden voldoet. Het is

1) nogal repetitief

2) mild humoristisch

en 3) doordrenkt met dood, geweld en ellende

En dat alles in willekeurige volgorde.

Het lied is geïnspireerd op de protestliederen van de brave huisvrouwen aan het begin van de vorige eeuw en geschreven op de helaas Australische folksong “Billy of Tea”, maar dat is om in te komen hè? Mijn volgende lied gaat echt over de rotondes van Utrecht. Als iemand de bijbehorende klederdracht regelt.

.:.

Met een fijn kopje thee

(een onbestaand protestlied, 1922)

Het is vroeg in de morgen, de zeer hoogste tijd
Dat ‘t bed wordt verruild voor een stevig ontbijt
Hoor de werklust weerklinken in ons vlijtig lied
Hoe arbeiden adelt, maar andersom niet

Zo klokslag half zes is de boer uitgeboerd
De beul afgebeuld, je corset ingesnoerd
Ook de priester is uitgeproost van al zijn werk
En zoekt nu Verlichting, ‘t liefste vrij sterk

(REFREIN)
Want je vindt ‘t in whiskey en vindt ‘t in bier
Dat pijnlijke hoofd na een avond vertier
Een ledige beurs en een kwaal in de broek
Van Sam of van Saar, je geheugen is zoek

En de kleintjes die huilen: och vader toch toe
Sla niet op de buren en niet op ons moe
Vertel een verhaal, speel een potje yathzee
‘t Is toch ook leuk met een fijn kopje thee?

Met zestien was Kaatje een blozende maagd,
En door Aad de Soldaat mee uit dansen gevraagd
Zij geloofde in liefde en hij in zijn port
Zijn hartstocht was groot, maar alleen wel vrij kort

Nu zijn ze getrouwd en de ouders van vier
Hun kroost kraait om hemden, maar papa wil bier
En ook een geweer, tot hun mama’s verdriet
Het ding heeft een naam, maar hun jongste zoon niet

Want je vindt ‘t in whiskey en vind’t ‘t in bier
Dat pijnlijke hoofd na een avond vertier
Een bastaard op komst bij dat mens verderop
Dat wordt dan Teun 8, want de namen zijn op

En de meisjes die huilen: oh heilige god,
Door drank en geweld gaat toch alles kapot
Ik bid om een man die me vraagt naar ‘t café
Maar dan heel gewoon voor een fijn kopje thee