Stub-born 8: Je eigen kind is tóch anders

Posted on Dec 8, 2016

‘Heb je zelf kinderen?’ vraagt de vrouw bij de toonbank. Ze legt tien knopen neer. Drie keer een meter biasband, babyblauw.

Alle maanden hiervoor had ik ‘nee’ gezegd. Te ingewikkeld om uit te leggen. Deze keer zeg ik ‘ja’, zonder na te denken. Ik schrik er zelf van. ‘Niet biologisch,’ zeg ik snel. ‘Ik bedoel. Het is wel mijn kind, maar ik heb hem niet gebáárd.’

Er staan andere vrouwen in de rij. Ze willen ritsen afrekenen. Naalden. Opstrijkbaar reparatiedoek. Ineens kijken ze allemaal naar mij.

‘Dat is dan twee euro en dertig cent,’ probeer ik nog.

***

We kennen elkaar zes maanden. Hij woont op een boerderij op het Belgische platteland, ik in een hip appartement in de stad. Ik werk in een naaimachinewinkel in afwachting van een creatieve carrière. Hij mist zijn voortanden en wil vesstoppetje spelen.

Het onderwerp ‘kinderen’ zit in een archiefkast in mijn hoofd. Onder de ‘Z’: Zaken Waar Ik Wel Over Nadenk Als Ik Vijfendertig Ben. Als iemand er naar vraagt zeg ik dat ik dat ik nauwelijks voor mezelf kan zorgen, laat staan voor een baby.

Ik zeg het lachend. Als een verkoper. Babyblauw, per strekkende meter.

Emrys begint te tellen.

Ik weet niet wat ik moet doen. Ik wil dat hij onder de indruk is. Ik wil niet dat het me uitmaakt of hij onder de indruk is of niet.

‘Vijf,’ telt Emrys. ‘Zeven.’

***

Ik zit met een vriendin aan de gracht. Ze zegt: ‘Het zal wel moeilijk zijn. Hij is nu vijf, maar straks is hij vijftien. Dan zal hij toch een stuk minder van jou aannemen dan van zijn echte moeder.’

Ze heeft moedermelk in de vriezer, dus drinken we witte wijn. Ze zegt: ‘Ik heb een foto van jou toen Olivia net geboren was. Je hield haar vast alsof ze ieder moment kon ontploffen.’

Ze zegt: ‘Je eigen kind is toch anders. Daar heb je zo’n band mee, dat is niet te vergelijken. Maar dat zul je wel merken, als je ooit moeder wordt.’ En daarna: ‘Dan kun je alleen dat fitnesslijf wel vergeten hè?’

Ik dacht dat ik iets voelde, maar ik heb me vergist. Ik berg het gevoel weg, bij de ‘Z’, aan het einde van de rij.

Ik lach om de grap.

***

Hij zegt: ‘Je bent mooi. Je bent net pinses Leia uit Star Was.’

‘Emrys!’ roept Camilla vanuit de keuken. ‘Laat mensen met rust als ze op de wc zitten!’

Hij lacht naar me met zijn gatenkaasglimlach.

***

Ik zit op de wc en hoor hem huilen. Het is midden in de nacht. Ik ben als enige wakker. Ik baal. Ik wil iemand wakker maken. Iemand die wel weet wat hij moet doen. Maar iedereen slaapt, behalve hij en ik.

Ik ga onhandig op zijn bed zitten. Ik zeg iets over de dromenvanger. Die heb ik bij het raam gehangen, omdat hij vaker nachtmerries heeft. ‘Probeer maar weer te slapen,’ zeg ik.

‘Ik kan niet slapen,’ zegt hij. ‘Je droomding doet het niet.’

‘Soms glipt er een nachtmerrie doorheen,’ zeg ik. ‘Omdat ze heel gemeen en snel zijn. Maar de meesten houdt hij tegen.’

‘Het is een draadje,’ zegt hij. ‘Een draadje met veren en een stomme kraal. Daarom doet hij het niet. Omdat nachtmerries wel echt zijn. In je hoofd.’

‘Jij bent de baas over je hoofd,’ zeg ik.

‘Ik kan mijn hoofd niet stoppen,’ zegt hij. ‘Hoe ben ik dan de baas?’ En hij klemt zich aan me vast, heel plotseling. Huilt door mijn pyjama heen. Ik voel zijn hart tegen mijn navel. Zijn verdriet tot diep onder mijn huid. ‘Niet weggaan,’ zegt hij.

Ik heb hem vast, merk ik. Mijn armen om hem heen. En ik hou hem vast, tot hij slaapt. En daarna nog steeds.

***

Het is vier jaar later. Emrys is negen. In plaats van over moedermelk praat mijn vriendin over scholen, Leonardoklassen, wat ze straks met haar vrije tijd gaat doen. Dingen die ik vanzelf begrijp als ik ooit moeder word.

‘Ik denk niet dat het verschil maakt,’ wil ik zeggen.

Ze lacht. Ze bestelt witte wijn.

Ik bestel iets anders.

Later, denk ik. Later vertel ik haar wel een keer waarom.