Stub-born 2: Kip

Posted on Sep 19, 2016

Als je denkt dat je zwanger bent, kun je een zwangerschapstest kopen. Dat is een plastic staafje waar je overheen moet plassen en als je zwanger bent krijg je een plusje of een smiley of een getal; het geschatte aantal weken sinds de bevruchting.

In mijn geval kun je ook kip kopen.

.:.

We keken Guardians of the Galaxy. Ik was uit mijn humeur. Ik dacht dat het aan de film lag en misschien was dat ook wel zo. De ruimteconciërges uit de titel zijn nogal onvriendelijke types. Een scheldende wasbeer met een machinegeweer, dat niveau.

Arnout besloot zich niet door een beetje zondagavondblues uit het veld te laten slaan. Hij tuurde in kookboeken. Hij verdween naar de supermarkt. En daarna in de keuken. Twee uur later stond er chicken chausseur op tafel, een culinaire klassieker. Met kip en champignons en rijst en alle liefde die je in twee uur maar in een gerecht kan proppen.

Ik zette het op een brullen.

Ik begreep niet waarom, maar ineens voelde chicken chausseur als het meest ellendige wat je een mens maar aan kan doen. De ingrediënten stonden me tegen. Ik werd misselijk van de kip. Ik begreep niet dat iemand chicken chausseur kon maken zonder grondig overleg. Het was ridicuul. Het was oneerlijk. Maar in mijn hoofd voelde het zo echt als het maar kon zijn.

‘Ik haat kip,’ huilde ik. ‘Ik haat champignons.’

‘Wat wil je dan eten?’ zei Camilla.

‘Ik wil niet eten,’ huilde ik. ‘Laat me maar.’

‘Je moet iets eten,’ zei Camilla.

Ik begreep niet waarom ze zo kalm bleef. Later begreep ik dat pas. Camilla wist van de smiley. En van alle ellende die aan zo’n smiley vooraf gaat.

‘Chiii-liii,’ jammerde ik uiteindelijk door mijn tranen heen. ‘Ik wil chili.’

Camilla ging chili halen.

.:.

Een half jaar later stonden we in de Albert Heijn, Arnout en ik. Ik wist van de smiley. Ik wist van de hormonale aanslagen van de eerste weken zwangerschap. Ik wist alleen niet dat ik zwanger was. Arnout en Camilla hadden hun vermoedens, maar ik zei dat het niet kon. Ik had het berekend. Mijn lichaam was nog aan het herstellen. Het was februariblues, niet meer dan dat.

Ik vroeg aan Arnout was hij wilde eten.

Arnout zei dat hij alles prima vond.

Ik suggereerde couscoussalade. In de nauwste definitie van ‘suggestie’, namelijk: ik heb zin in couscoussalade en jij kunt ook maar beter zin hebben in couscoussalade. Maar dat hoorde Arnout niet.

‘Ik heb niet superveel zin in couscoussalade,’ zei hij. ‘Maar als jullie het lekker vinden, vind ik het prima.’

Een lagedrukgebied trok over de conversatie. Dikke wolken pakten zich samen boven mijn humeur.

Dat voelde Arnout dan weer wel. ‘Het is oké,’ zei hij snel. ‘Couscoussalade is oké.’

‘Nee,’ zei ik. ‘Nee. Couscoussalade is NIET oké.’

‘Maar als jij couscoussalade lekker vindt…’

‘WE ETEN GEEN COUSCOUSSALADE, WE ETEN CURRY,’ zei ik en gaf een ruk aan het boodschappenwagentje. Ik pleurde een paprika in het mandje. Een pompoen. Ik beende door naar het koelvak met kip.

Daar barstte ik in tranen uit. Weer begreep ik niet waarom. Alleen dat ik me sip voelde. Sip en ellendig. Over kip. Over pompoenen. Over het leven en de liefde en het hele universum. Alles in één grote donderwolk.

Arnout ging naast me staan. ‘Ik begrijp dat je verdrietig bent,’ zei hij. Hij legde een hand op mijn schouder, knikte naar de kip in plastic. ‘Maar ze hebben een mooi, rijk leven gehad. Echt waar.’ En daarna: ‘Zullen we toch niet even langs de drogisterij lopen?’

Vijf weken, zei de officiële test.

Zei ik toch, zei de kip.