Spookverhalen en perencider

Posted on Aug 19, 2008

“Lysakyle?”

De vrouw is een typische anglicaanse supermarktschoonheid. Met een dunne, uitgebluste zonnestralencoupe in een paardenstaartje en een reusachtige boezem die op heuphoogte heen en weer zwaait. We rekenen een ui af, een courgette en een pot pastasaus, terwijl de cassière ons hoofdschuddend aankijkt. Buiten loopt de regen in dikke stralen over het Spar-logo. “Als jullie dan persé willen kamperen kunnen jullie beter naar de Applefarm gaan. Dat is hooguit zeven kilometer hier vandaan. Lysakyle…

Maar we zijn lui en moe en hongerig. En hoewel verschillende stoere backpackers door de bergen van ons achterhoofd marcheren (mijn opa en oma, Jans ouders, Micha; idolen die fluitend een half continentje backpacken met twintig kilo en voor het slapen gaan nog even vijftig keer opdrukken en met een beer worstelen) gaan we toch voor de makkelijke optie. Lysakyle. Twee kilometer verderop.

.:.

De cassière haalt nog een keer hoofdschuddend haar schouders op en wuift ons dan naar een rijtjeshuis verderop.

Maurice kan ons er wel heenrijden, zegt ze. Maurice rijdt al decennia lang toeristen naar zijn camping.

Maurice zou dan ook eerlijk gezegd al minstens tien jaar niet meer achter het stuur mogen zitten, maar over gastvrijheid moet je niet klagen als je verdwaald bent in een onbekende uithoek van het buitenland. Dus grijp ik me vast aan het portier terwijl we door de straten van Cahir zigzaggen. Een typisch Iers dorpje in de vriendelijke motregen: ruïnes en woonhuizen staan er om en om, de één soms moeilijk van de ander te onderscheiden.

.:.

Lysakyle ligt twee kilometer buiten de stad. De motregen is gestopt en een laatste restje zonlicht knipoogt over de horizon, zodat het landhuis in de eenzame boomgaard spontaan iets van een warme gloed krijgt. Drie katten schieten weg door het grind. Een klimop die ouder is dan Jan en ik bij elkaar bedekt bijna alle stenen van de gevel. Maurice tast naar ons wisselgeld en wenst ons een prettige nacht.

“Doe vooral of je thuis bent,” zegt hij, in een laatste rollende vloed van korte Ierse o’s en a’s. Dan is hij verdwenen.

.:.

“Lysakyle, hostel en camping,” leest Jan op een briefje met geel verkleurde randen, dat achter een raam van het landhuis zit geplakt.

Hij probeert de voordeur, die niet meegeeft.

Ik doe een stap terug om de ramen te bekijken. Rijen kanten gordijnen aan scheve rails achter de ramen. Verder is er niemand te bekennen. Op drie paar nieuwsgierige katten na.

We lopen een rondje om het huis, door de boomgaarden waar het gras tot onze knieën staat, de vervallen schuren en de eindeloze weilanden die naar meer eindeloze weilanden leiden, zo ver als het oog reikt. Het wordt laat. De avondkou trekt de warmte van het laatste zonlicht steeds verder uit het land. En de laatste resten van vriendelijkheid uit het verlaten landgoed. We zijn alleen. We zijn alleen op een landgoed links naast het middelpunt van nergens. In de verte blaft een hond.

.:.

Later, na een inmiddels bekende culinaire herhaling van ui, courgette en pastasaus, liggen Jan en ik op onze buik in de tent, terwijl we kijken hoe een colonne naaktslakken zich over het tentdoek in onze richting beweegt.

“Zie je dat?” zeg ik, terwijl ik over de slakken heen naar een lichte glooing wijs die een paar stappen verder het gras omhoog stuwt. “Het lijkt wel of daar iemand begraven ligt.” Mijn ogen dwalen verder naar een geknapte appelboom, een verlate schuurtje achter het huis en de grauwe, verlaten ramen van het landhuis.

“Niet doen,” probeert Jan nog, maar het is al te laat. Even later staan we in de oude schuur van het landhuis, nu een keuken, twee speurneuzen op een griezelig avontuur.

.:.

Het is geen prettige plek.

Op de begane grond is Maurice losgegaan op iets wat nog het meeste wegheeft van binnenhuisarchitectuur voor seriemoordenaars. Oud landbouwgereedschap bedekt de muren – zagen, messen, voorwerpen waar met een een beetje fantasie hele ledematen onprettig mee verbouwd kunnen worden – en over een hoge balk zijn kledingstukken gehangen. Drie sets kleren, jongemannenkleren, verstoft in de neerslag van de oude schuur. Terwijl ik probeer tussen de spinnenwebben naar de zolder boven ons hoofd te gluren, heeft Jan een inventarisatie gemaakt van de boekenkast. Een collier van parels, een boek over gruwelijke, onopgeloste moordzaken uit de vorige eeuw en mappen met krantenberichten uit een ouderwets, zwart-wit tijdperk.

“Laten we hier weggaan,” zegt Jan, maar ik wil niet weg. Ik wil op de zolder kijken. De zolder die door spinnenwebben en schaduwen aan het zicht wordt onttrokken.

We bouwen een gevaarlijke constructie van banken en stoelen en loeren om de beurt het donker in.

“Ik zie niets,” liegt Jan, maar ik wil niet weg voor ik dat met eigen ogen heb kunnen bevestigen.

Dapper grijp ik me vast aan de houten vloer boven mijn hoofd en blaas de spinnenwebben uit mijn gezicht. Een bed. Een bruidsbed. Een oud ijzeren bruidsbed in een sluier van stof en spinnenwebben.

“Natuurlijk,” fluister ik. “Lysa Kyle. Dat was zijn vrouw. Op hun trouwdag is ze vermoord door een rivaal van Maurice. En sindsdien heeft hij haar lijk hier gehouden. Iedere avond…”

“Oké, zo is het wel genoeg.” Jan trekt me mee terug naar onze tent.

De naaktslakken hebben gestaag terrein gewonnen en we gillen verrast als we er één onder de afwas ontdekken. Achter ons ritsen we de tent dicht. In het donker kijken we elkaar aan.

“We moeten iets doen,” zegt Jan. “Laten we een heilige cirkel om onze tent trekken.”

“Ik ben niet bang,” zeg ik.

“Ik ben ook niet bang,” zegt Jan.

Met kokend water trekken we een kruis voor onze tent en bidden tot St. Kevin, de eerste Ierse heilige die ons zo snel te binnen schiet. Voor de zekerheid stuur ik mijn moeder ook nog een sms-je. “Als we morgen niet meer leven,” schrijf ik. “Google dan vooral Cahir. We liggen waarschijnlijk in een behekste boomgaard onder de naaktslakken.”

“Bedankt voor je berichtje,” schrijft mijn moeder terug. “Zo kan ik echt rustig slapen.”

.:.

In het donker houden Jan en ik elkaars hand vast, terwijl mijn hoofd verder maalt over de bruid die nog altijd over het landgoed zwerft, de ongelukkige Maurice (die de moord nooit te boven is gekomen en waarschijnlijk eens in de zoveel tijd in het bruidsbed kruipt met de rafels en botten van wat ooit een blozende bruid in een trouwjurk was) en de rivaal – natuurlijk de rivaal! Die op een nacht perongeluk in het landhuis verzeild is geraakt en wiens lijk ze in de volgende dag in de appelgaard vonden, in druipende stukjes bungelend aan een boom. (En daarna, een heuveltje gras in de tuin, enkele stappen weg van onze tent!)

Een jammerend bruidsspook, een woedende rivaal en een totaal verknipte hosteleigenaar van honderdtachtig jaar oud. Mijn angst heeft mijn verleiding om in het maanlicht terug naar het landhuis te lopen allang overwonnen. Ik hou zelfs mijn plas in tot de volgende morgen, omdat intussen ieder stukje van het landgoed onderdeel is geworden van het grote spookverhaal.

.:.

‘s Ochtends proppen we twee sneetjes droog brood naar binnen, kloppen een imperium aan naaktslakken van ons tentdoek en zetten het dan op een lopen. Het is drie kilometer terug naar de stad met onze backpacks en zonder de bijbehorende ervaring, maar ineens lijkt die last niet zo zwaar meer. We kijken niet één keer achterom. Alleen de katten kijken ons na. Dat weten we zeker.

Disclaimer: Dit is dus wat er gebeurt wanneer een geflipte schrijfster en een overenthousiaste historicus op vakantie gaan naar een land vol mysterieuze oude rotzooi, regen en perencider. Na deze vakantie weet ik wel zeker dat ik voor een lang & gelukkig leven niets meer nodig heb dan dat: een knappe historicus, wat mysterieuze rotzooi en hier en daar een litertje perencider.

14 Comments

  1. Hoe was Cork?

    • Wat een verhaal!
      Echt geweldig ik heb het hard lachend aan Mark voor gelezen, maar we kennen allemaal het kippevel van enge plekken 🙂

    • Uit het zeer geheime dagboek van Prins Laurentia van Haeften

      CORK versus IK

      1) Rotstad is ouder
      2) Rotstad is ouder, maar ik ben beter geconserveerd
      3) Ik ruik niet zo doordringend naar vis

      Ik win.

      • Re: Uit het zeer geheime dagboek van Prins Laurentia van Haeften

        Phew.
        I thought it was a multiple Choice question, and gotten scared for giving the wrong answer

  2. *applaus* 🙂

    • Hé wat leuk om jou hier te zien!

      • Ben deze zomer weer eens wat dieper in de cyberspace gaan graven. 🙂

  3. Dus, leuke vakantie gehad? :p

    ~Brenda~

  4. Soms is de peren-cider werkelijkheid spannender dan een enge film!

  5. een schrijfsel van watzalikzeggen is altijd een plezier om te lezen…
    *zucht*

  6. Geniaal. 🙂

  7. Prachtig verhaal. Doet me denken aan iets wat ik in East Anglia had meegemaakt. MIjn vriendin en ik fietste na een uitje terug naar de camping. We hadden voor donker terug willen zijn, maar dat was niet gelukt. Om ons heen viel de duisternis in terwijl mistflarden over de grond naar ons toekropen. In een vervallen middeleeuws stadje (dat wil zeggen; het was destijds een stad, nu niet meer dan een groepje ruines) besloten we even te pauzeren. We stopten en keken om ons heen, en bleken midden op een kerkhof te zitten. Zo’n kerkhof met oude scheef gezakte graven waar de sngelse mistflarden doorheen kronkelen. Zo een waar ze in Hollywood zo gek op zijn, maar deze was echt.
    Toen werden we aangevallen. Dat wil zeggen, we werden niet echt aangevallen, maar we hoorden geluiden in de struiken. We zagen niemand, maar we hoorden wel heel duidelijk iemand. De volgende ochtend beseften we dat die geluiden waarschijnlijk gemaakt werden door een konijn of een kat of een grote vogel. Maar op dat moment leek waarschijnlijker dat het een tot leven gekomen middeleeuws lijk was.

    Dat was heel spannend, maar ook heel erg mooi en romantisch.

  8. mooie vormgeving

    Ha, dit vind ik nu wel een mooie vormgeving, beter dan het oma behang en de naargeestige zwarte achtergrond! zo leest het prettig en valt het commentaar op moeders een beetje mee!
    Je mamaatje

    • Re: mooie vormgeving

      En ik ben gek op octopussen!