Kanaries in de kolenmijn

Posted on Jan 15, 2020

Dit artikel verscheen eerder in de Volkskrant van 23 december 2019 (directe link hier).

Teletubbies met hakenkruizen. Koken met Adolf. Douchen met Anne. Niggachu, de zwarte versie van Pikachu. Dinosaurus Barney die gepijpt wordt door een kleuter. Melkweg, snelweg, omweg en dan een foto van Jos Brech: kind weg. Down-plaatjes naar een jongen met autisme. You deserve rape! naar een groep meisjes.

Dit is geen willekeurige internetachterbuurt, maar de klassen-Whatsapp van ons zoontje van 12. Het is een VWO-brugklas van een progressieve, grootstedelijke school, die zichzelf prijst om haar veiligheid en ‘no blame’-pestaanpak. Toch durft niemand in de groep iets te zeggen.

Ook de mentor wil eerst niet ingrijpen. Ze noemt het ‘de grens tussen leuke humor en niet zo heel leuke humor’ en een klas ‘met een enorm fijne sfeer’. Als we tegenwerpen dat dit geen humor is, maar grond voor aangifte, gaat het probleem een trapje hoger, naar de brugklascoördinator. Maar die beslist dat het aan ons als ouders is: meer dan een Kahoot-quiz over racisme en een aparte Whatsapp-groep voor schoolwerk kunnen ze niet bieden. Ook sancties blijven uit; de ouders van de leerlingen die de plaatjes hebben gepost worden niet ingelicht. Inmiddels hebben de leerlingen hun berichten wel verwijderd. ‘Wat een bullshit,’ schrijven ze naar elkaar. ‘Ga gwn uit de groep als je er niet tegen kan, niet snitchen!!!’

Het is niet de eerste keer dat online veiligheid een issue is op school. In groep 7 gingen dezelfde hatelijkheden over Whatsapp en werd één meisje via Instagram opgeroepen tot zelfmoord. Ouders hadden niets door en schermden achteraf met de heilige privacy van hun kind. De school kwam met een uurtje What’s-HAPPY-les, die het gedrag niet oploste, maar naar minder zichtbare plaatsen verschoof.

‘Onze kinderen zijn als kanaries in kolenmijnen,’ schreef professor Sonia Livingstone naar aanleiding van het IGF, het Internet Governance Forum, een internationaal debat over digitale Kinderrechten. ‘Ze leven grotendeels online, terwijl scholen, ouders en overheden achter de feiten aanrennen.’ En dat is waar. Aan de drie traditionele zuilen van sociale opvoeding – thuis, school, vrienden – is een vierde zuil toegevoegd: het internet. Het is een medium ontworpen voor volwassenen, door volwassenen en toch hebben de meeste kinderen vanaf jonge leeftijd de beschikking over een telefoon of tablet. Klaar voor de digitale snelweg, zonder rijlessen of bijrijder.

Momenteel wordt gekeken naar een uitbreiding van het Kinderrechtenverdrag van 1989 met een specifiek Recht op Mediawijsheid: het recht van ieder kind op veiligheid, grenzen en een mediawijze opvoeding, zowel vanuit school als thuis. Met de dertigste verjaardag van het internet kunnen we ons niet langer achter andermans verantwoordelijkheden verschuilen. Het wordt tijd dat we onze achterstand inhalen en dat we de mediawijze opvoeding gaan bieden, op basisscholen, middelbare scholen en thuis.

Een opvoeding die leert hoe chatetiquette werkt. Hoe je aan betrouwbare informatie komt in tijden van fake news. Hoe je digitale media kunt inzetten als tool, zonder er zelf slaaf van te worden. Wat er gebeurt met de gegevens die je online post. Hoe de psychologie van social media werkt, de gokmechanismen in populaire games als Fortnite en Fifa, de algoritmes van YouTube. En wat je kunt doen als jij – of iemand in je omgeving – het slachtoffer wordt van trolls, doxxing of andere vormen van online geweld.

Een opvoeding waarin we begrijpen waaraan we onze kinderen blootstellen en grenzen leren stellen. Kinderen hoeven pas een telefoon als ze er klaar voor zijn, Instagram, Whatsapp en Tiktok zijn echt niet nodig om mee te tellen in de klas en niet alle lessen hoeven digitaal, zeker niet als het aan toezicht of gedegen kennis van docenten ontbreekt.

Een opvoeding waarin we ook kritisch naar onszelf en ons eigen internetgedrag kijken. Waarom is het zo moeilijk om onze telefoon weg te leggen? Om toe te geven dat we het soms ook niet weten – als ouder, als docent – maar dat we het wel gaan proberen?

Want terug kunnen we niet. En moeten we ook niet willen. Maar hoe het internet eruit ziet, voor onze kinderen nu en de kinderen van de toekomst, dat bepalen wij als volwassenen, hier en nu.