Ik, bangerik

Posted on Aug 5, 2010

“Hoe bedoelt u?” Ik durf de woorden van de commissaris niet te herhalen, bang dat Felix ze zal horen.

“Precies zoals ik het zeg,” bromt de man aan de andere kant van de lijn. “Vanmiddag was meneer Von Rotz er nog, maar toen we net gingen kijken was hij weg”.

“Wat is er?” vraag Felix. Hij windt het snoer van de telefoon steeds strakker om zijn pols, zodat de kleur uit zijn vingers trekt.

“Niet doen,” zeg ik, bedank de politiecommissaris en hang op. “Het gaat vandaag niet meer lukken, Felix. Papa slaapt al”.

“Nietes,” zegt hij. “Papa is net wakker en als papa wakker is mogen we naar hem toe. Dat heeft mama gezegd.” De frons in zijn voorhoofd wordt dieper. Hij lijkt wel een oud mannetje zo, de zorgen van een heel mensenleven in zijn voorhoofd gestampt. Maar Felix is geen oud mannetje. Felix is mijn broertje van zes en broertjes van zes, hoe irritant ze ook kunnen zijn, horen niet zo te fronsen. Maar sinds papa weg is, lijkt Felix’ gezicht iedere dag ouder te worden, als een verfrommeld blaadje. Zelfs als mama patat maakt, fronst hij. Als Mark Supervark DocKnor, zijn aartsrivaal, tot pulp slaan, fronst hij. En al is het buiten één ziljard graden en jagen zijn vriendjes elkaar na met waterpistolen, Felix trekt de gordijnen dicht en komt zijn kamer niet uit voor het donker wordt. Vervolgens zit hij de hele nacht op de stoep te wachten met zijn Mark Supervark rugzakje naast zich.

“Papa komt me halen,” zegt hij dan.

Ik durf het hem niet te zeggen. Dat papa niet meer thuiskomt. Eerst was er nog het vooruitzicht van een gevangenis met plastic speelgoedtafeltjes en vaste bezoekuren, maar nu… Wie weet waar hij nu is?

“Laten we gewoon een film kijken,” zeg ik.

Maar Felix staat al in de gang, half verdwenen in zijn rode bomberjack. “Ik wil geen film, ik wil papa terug!”

“Het is veel te warm voor je jas!” Ik pak hem bij zijn arm.

Even kijkt hij me aan. Zijn ogen zijn groot en waterig, als een meertje waar je zo in zou willen springen. Dan rukt hij zich los. “Bangerik,” zegt hij.

Ik denk aan mama. Ze zegt dat we gewoon moeten wennen. Dat ook verlies na een tijdje normaal wordt. Maar iedere keer als ze dat zegt voel ik een opstandige steek in mijn buik. Alsof daar een tijger gevangen zit die gromt en draait om los te breken. Ik wil niet dat het normaal wordt. En voor ik er verder over na kan denken, hoor ik het mezelf zeggen: “Ik ga met je mee.”

We fietsen door de avond, die heet is als een föhn. Mijn donkere shirt is veel te warm voor dit weer en mijn benen voelen slap als touw. Uitlopende mascara prikt in mijn ogen. Ik moet moeite doen om Felix bij te houden, die voor me uit schiet over de weg, gebukt over zijn stuur om sneller te gaan. Ondertussen probeer ik een logisch plan rond onze domme, impulsieve actie te trekken.

Daarbij is mama mijn grootste zorg, hoewel het nog zeker twee uur zal duren voor ze terug is van haar zweefteefclub. Sinds papa ‘geworden’ is (waarom zeggen volwassenen nooit gewoon wat ze bedoelen?), kletst mama weer met energiestromen, smeert ons in met knoflook en strooit rijstcirkels door het hele huis, zodat je je nek breekt als je niet kijkt waar je loopt. De knoflookgeur is onderhand zo diep in mijn huid getrokken dat de denkbeeldige rij vakantieliefdes die ik in mijn hoofd onder mijn balkon had verzameld, gekrompen is tot één toevallig verdwaalde knoflookfetisjist. Alsof de auratekenclub, waar ik bij haar vorige zenuwinzinking naar toe moest, niet erg genoeg was. Daar zat ik opgescheept met een walvisvrouw in een regenboogjurk die al na een week in paniek mijn moeder belde, omdat ik de aura’s van de andere kinderen allemaal zwart had ingekleurd. Die van Sunshine, de dochter van de walvisvrouw, had ik extra dik aangezet om haar aan het huilen te maken. Vlak daarna kreeg mama nieuwe medicijnen, verstopte papa haar sigaretten en mocht ik op woensdagmiddag gewoon weer buitenspelen.

En toen kwam die rampzalige avond, twee weken geleden. De avond dat papa terugkwam uit Duitsland en tien kilometer voor huis stopte om te tanken. Dat is tenminste waar de politie zijn auto vond. De vader die bij de auto hoorde, ging vijf kilometer verderop als een bezetene tekeer op een kinderboerderij. Hij had geen schoenen meer aan, zijn lange haar was uit zijn staart geraakt en zijn dure maatpak was gescheurd en bebloed. Niet dat hij een mens kwaad had gedaan, maar de trots van ons dorp, een ren prijscavia’s, had het niet overleefd. Papa werd verdoofd en afgevoerd. Het was het laatste wat ik van hem zag: zijn slappe lichaam op een brancard gesnoerd als een tas op een bagagedrager. Ik was in alle staten.

De volgende dag was de hele tolerantiediscussie weer losgebarsten.

“Doden horen dood te zijn en te blijven,” zei een politicus met een kaal hoofd en een hagelwit gestampte-muisjes-gebit. “Dit soort gedrag kunnen we niet toleren”. Zijn reusachtige, deinende lichaam kon ieder moment openbarsten en dan zouden er niets dan biefstukken naar buiten rollen en toch deed hij alsof mijn papa met een paar stomme cavia’s een wereldmisdaad had begaan.

“Het is niet enkel een kwestie van veiligheid,” beweerde een andere politicus. “Wat als we straks niet alleen hen, maar alle doden moeten gaan respecteren? Extra huizen, extra uitkeringen, extra zorg: we praten hier over miljarden, dames en heren. En daar hebben jullie, hardwerkende Nederlanders, nooit om gevraagd!” Hij werd zo rood als hij sprak, dat het leek of zijn hoofd op een blaadje onder de grill was geschoven.

Daarna volgde er altijd een eindeloze parade van professoren met scheve brillen en vloekende kledingsstukken. Ze stamelden over het veranderende klimaat en de overbevolking, waardoor de vampiers uit hun schuilplaatsen waren verdreven. Dat het een kwestie was van voedelgebrek, waardoor de soort minder bang was voor mensen dan eerst.

En ondertussen keek niemand verder. Bleef het maar gaan over geld, zero tolerance, de dode buitenkant. Niemand leek te zien wat ik wel had gezien: dat mijn papa nog gewoon mijn papa was. Dood of levend, dat maakte geen enkel verschil.

Misschien moest dat mijn plan zijn. De andere kant laten zien. Een wereld waarin niets veranderd was. Waarin we samen konden leven. Vampiers en mensen. Papa, mama, ik en…

 

“Slomo!” roept Felix. Hij is met het laatste restje groen de weg overgeschoten, terwijl ik nu moet wachten voor rood. Niet dat er een auto te bekennen is. We zijn vlakbij het industrieterrein, waar geen mens zich in de buurt waagt met deze hitte. De zwarte wolken blijven plakken in de lucht als kauwgom. De stinkende, metalige geur is moeilijk weg te slikken. Papa is niet hier. Niet bij het politiebureau, dat aan het einde van deze straat ligt. Waarschijnlijk niet eens meer in ons dorp. Maar we moeten hem vinden.

“Felix!” roep ik, maar hij is alweer op zijn fiets geklommen. Ik worstel me terug in mijn plakkerige zadel en haast me de weg over, door het rode licht heen, achter mijn broertje aan. Ik ben misselijk van de inspanning en van de lucht in deze wijk. Dit is niet de goede weg, maar Felix wil niet stoppen. Negeert mijn roepen.

Tenslotte weet ik hem klem te rijden, zodat hij wel vaart moet minderen. Boos drukt hij zijn wiel in dat van mij, geeft een trap tegen mijn fiets. “Niet doen,” zeg ik. “Luister nou, Felix”. En dan flap ik het eruit: “Papa is niet hier.”

“Je liegt.”

“Nee,” zeg ik. “Hij is weg. Dat is wat de commissaris zei. Ik wilde je alleen niet ongerust maken.”

Felix kijkt me aan. Zijn boosheid valt weer in zorgelijke rimpels uitelkaar. “Waar is hij dan?” vraagt hij. “Waar is papa?”

Ik kijk op mijn telefoon. Het is kwart over tien. Als we verstandig zijn, gaan we nu naar huis, leg ik Felix in bed en riskeer ik geen huisarrest tot het einde van mijn puberteit. Als we verstandig zijn, bemoeien we ons niet met grotemensenzaken die we niet begrijpen. Maar ik wil niet verstandig zijn. De gedachte dat ik mijn papa kan redden, mijn papa en misschien wel alle vampiers mét hem, heeft de tijger in mijn buik weer wakker geschud. Ik voel me een rebellenprinses uit een boek, die het onrecht trotseert om de onschuld van haar vader (nationaal gezochte boevenkoning en/of ondergedoken held) te bewijzen. Om voor hem te vechten en desnoods, als niemand wil luisteren, samen met hem te vluchten.

En dan? Dan kan ik nooit meer terug naar huis. Nooit meer terug naar school. Dat is nou eenmaal het lot van rebellenprinsessen op de vlucht. Als ik bij papa wil blijven, zal ik net zo moeten worden als hij. Maar is dat erg?

“Teddie,” zegt Felix. “Waar is papa?”

Een vampier. Wat gek dat ik niet bang word van die gedachte. Dat het ineens zelfs iets spannends lijkt. Misschien komt het omdat ik veel over vampiers heb gelezen en me niet door al die debiele volwassenenpaniek mee laat slepen. Altijd die angst om geld; alsof wezens die ouder zijn dan de tijd nog geïnteresseerd zijn in belastingfraude! Maar dat is het hele punt: niemand begrijpt vampiers. Het zijn tragische helden, gevangen in de tijd, hunkerend naar liefde, die niemand ze geeft. Maar ik heb het gezien. In mijn papa’s ogen. En ik kan ze helpen.

Plots zie ik ze ook onder mijn denkbeeldige balkon staan. Niet de puisterige voetbaljongens uit de vierde klas, maar knappe prinsen met donkere ogen. Ze brengen rozen mee en serenades en we voeren gesprekken tot diep in de nacht, want vampierjongens zijn geboren in een tijd toen er nog jonkvrouwen waren en geen Nintendo’s. Toen romantiek en eeuwige liefde nog iets van zelfsprekends was. En veilig in elkaars armen…

“Teddie!” Felix trekt steeds ongeduldiger aan mijn arm. Maar ineens weet ik het, waar papa is. Er is maar één plek waar hij zich veilig kan voelen. Eén plek die hij begrijpt. De plek waar hij geboren is.

We fietsen het industrieterrein af, steken over naar de provinciale weg en trappen door terwijl het laatste licht uit de avondlucht sijpelt. Koeler wordt het niet. Als eindelijk het tankstation op de borden wordt aangegeven, lijkt mijn shirt op mijn huid gesmolten. Felix gaat nog altijd voor me uit, met de bovenmenselijke energie die je alleen bij superhelden en zesjarigen vindt.

Voor ons hangt het tankstation als een futuristisch verlicht ruimteschip in het zwarte landschap. We stappen af, zodat we ongezien de achterkant van het gebouw kunnen bereiken. Het hoge gras verstrengelt zich in mijn trappers en recht naast ons komt de donkere bosrand steeds dichterbij. Tussen de bomen is de nacht zo dik als stroop, zodat er niets te onderscheiden valt.

Felix zoekt mijn arm, zijn hand is glibberig van het zweet, maar ik ben niet bang. Niet voor wat er misschien wel in het bos zit. Niet voor wat er in het wc-gebouwtje op ons wacht.

Voor papa kan ik alles aan.

Voor papa en voor Felix en voor eeuwig en gelukkig.

In één beweging trek ik de deur naar het herentoilet open.

 

De stank rolt als een duizelingwekkende golf over me heen en ik ben blij dat ik de klink nog in mijn hand heb, want plots voelen mijn benen als pudding. Met de rug van mijn hand tegen mijn neus gedrukt, tuur ik naar binnen. In het blauwpaarsige sciencefiction-licht zit een hoopje. Een hoopje papa. Ik herken hem direct, al zit zijn haar in plakkerige pieken en staan zijn ogen verwilderd. Hij heeft nog altijd zijn pak aan, dat nu in meer rafels dan stof om hem heen hangt. De koeienstropdas, die hij voor vaderdag van Felix heeft gekregen, bungelt los om zijn nek. In zijn handen klemt hij iets dat ik niet goed kan herkennen.

Felix heeft mijn hand losgelaten. Voorzichtig schuifelt hij naar voren. Behoedzaam rond de plas bloed heen, die als een grote inktvlek door de tegelkieren kruipt.

“Papa?” Ik dwing mezelf te kijken. Om blij te klinken. We hebben hem gevonden. Nu komt alles goed. Ik herhaal de zin als één van mama’s meditatiemantra’s. Dan draait papa zijn blik in mijn richting. En die blik is zo angstaanjagend, zo onmenselijk, dat alles in mij met een schok tot stilstand komt. De stank van verrotting dringt dwars door mijn handpalm heen.

“Felix”. Mijn stem klinkt schor. Mijn broertje staat vlakbij het ding dat ooit papa was. Dat ding met zijn dode ogen, zijn dode geur, zijn rimpelige dode huid als een verrotte appel. Het haar dat in slappe slierten spinrag op zijn schedel ligt geplakt. En dan herken ik ook het voorwerp in papa’s hand.

Het is een arm. Afgerukt als een tak in een storm.

“Felix!” Ik wil mijn broertje vastpakken, hem meetrekken. Weg van hier, terug naar huis. Ik probeer me naar voren te buigen, de ziekelijke misselijkheid in mijn lichaam te negeren, maar Felix ontworstelt zich makkelijk aan mijn slappe greep.
Dan knielt hij bij papa, alsof de arm niet bestaat, alsof het bloed er niet is, en legt voorzichtig zijn hoofd tegen zijn plakkerige koeienstropdas. Ik zie zijn kleine rug schokken. “Papa,” zegt hij. “Je moet bij ons blijven. Je moet me voorlezen en met mijn autoracebaan spelen en mama troosten zodat ze nooit meer boos is.”

“Niet doen,” zegt het ding. Het lijkt van ver en diep te komen. Nauwelijks meer een stem, eerder iets dierlijks. Een blaf. Een grauw. “Ga weg.”

“Alsjeblieft, papa”.

“Felix!” Ik merk niet dat ik huil, dat ik schreeuw. De kracht die ik nog heb, mijn laatste wanhopige uithaal naar mijn broertje, lijkt van mijn buiten mijzelf te komen. Alsof ik verdoofd toekijk terwijl iemand anders mijn lichaam bestuurt.

Maar Felix duwt me weg. Zijn ogen lijken plots hard, oud. “Ga weg,” zegt hij. “Bangerik”. Dan nestelt hij zich diep in mijn papa’s armen, zoals hij thuis deed. Toen alles nog goed was. Toen papa nog papa was.

Nog één keer kijkt het monster naar me op. Dat monster dat de laatste resten van mijn papa draagt als een verscheurde jas. Een triomfantelijke, bloederige grijns glijdt over zijn gezicht. Dan haalt hij uit en de wereld kopjeduikelt.

Bloed. Zwart als inkt.

De echo van mijn eigen gegil in mijn oren.

Hoe ik thuisgekomen ben, weet ik niet.

 

Soms, in de zomer, als mijn mama de ramen van mijn kamer heeft opengezet, denk ik ze nog wel eens te horen. Het hoge gegiechel van mijn broertje. Gekrabbel aan de voordeur beneden. Zo stil als ik kan, laat ik me uit bed glijden. Ik wil ze voor me zien als in een boek: hand in hand, vliegend door de lucht. Ik wil geloven dat het kan. Dat er helden bestaan. Sprookjesprinsen. Een lang en gelukkig.

Maar voor ik het zeker weet, slaap ik met mijn ramen dicht.

Al is het buiten één ziljard graden.

 

Het verhaal Ik, bangerik won de zomerverhalenwedstrijd van Meulenhoff/De Boekerij 2010