Hoe ik eindelijk vrede sloot met “The Windmill Massacre”

Posted on May 2, 2019

Toen ik in verwachting was van Sacha, vroegen mensen wel eens hoe ik het deed, mijn zwangerschapsverlof betalen als ZZP’er. ‘Simpel,’ zei ik. ‘Plagiaat.’ Het was een grapje, maar helaas wel waar: de afgelopen 5 jaar verdiende ik bijna 20.000 euro aan creatief werk dat buiten mijn weten om werd bewerkt of gecopypaste. En al betaalt het de rekeningen – en je familieuitbreiding – toch is het geld dat vooral verdriet oplevert. Met als dieptepunt de film The Windmill Massacre, waar ik jarenlang alle berichten rond blokkeerde.

Maar als je je huis kunt Marie Kondoën, dan kan dat ook met je hoofd. Niet alle pijn is jaren later nog relevant. En van een afstand is het makkelijker om met empathie naar je eigen fouten te kijken en die van een ander. Bovendien gaat The Windmill precies over dat onderwerp: wat er gebeurt als je blijft vasthouden aan angst, pijn en vooroordelen. En wat voor schrijver ben je als je niet leeft naar wat je op het witte doek predikt?

Aldus zochten we gisteravond de titel in de digitale filmschappen, betaalden 3 euro aan YouTube en stiekem, heel stiekem, voelde ik toch die trotse kriebel toen mijn naam in beeld verscheen. Of nou ja, mijn pseudoniem: Suzy Quid (een knipoog voor iedereen die mij langer kent dan vandaag ;))


The Windmill was niet mijn eerste samenwerking met Nick Jongerius, de regisseur. Nog vers van de Filmacademie schreef ik Mara voor hem, een bewerking van het boek van Lisette van der Heg, over een meisje dat in de jaren 30 zwanger raakt na seksueel misbruik. Het was een taai boek om te verfilmen, zwaar en sober, met heftige religieuze ondertonen. Nick gaf me echter volledige artistieke vrijheid, dus propte ik een hele cast nieuwe personages in het verhaal (waaronder een lesbiënne en iemand met het Syndroom van Down), leefde me uit in psychologische horror-elementen en tilde het hele decor naar een Drenthse opvoedkolonie in de jaren 30.

Dit was een creatief (en LGBTI) blokje te veel om voor de EO, onze beoogde omroep, en ook de schrijfster en de uitgever waren maar matig te enthousiasmeren voor mijn uitvinding, het reli-historrory genre. Terugkijkend kan ik die reacties wel begrijpen. Niet alleen had ik een klein verhaal tot Frankensteinse proporties gerekt, ik hield mezelf in het hele proces maar nauwelijks staande. Dat was niet alleen onervarenheid, maar ook mijn eigen situatie, die akelig leek op die van Mara. Alleen begreep ik op dat moment de mechanismen van seksueel misbruik niet – het enige wat ik kon doen was de rauwe emoties van me afschrijven, iedere versie weer.

Hoewel Mara uiteindelijk niet van de grond kwam, bleef ik contact houden met Nick, zeker omdat we goed klikten op onze liefde voor horror. Het was dan ook niet lang na Mara dat hij een ander idee aan me voorlegde: een Hollandse slasher over een bus toeristen die strandt bij een behekste windmolen. Het was een synopsis met veel potentie, al had ik ook mijn bedenkingen. Een B-film volgens alle jaren 80 en 90 horrortropes zag ik niet zo zitten – de zoveelste misvormde griezel met een onverklaarbare haat tegen hangjongeren – maar ook hier liet Nick mijn fantasie alle ruimte. En zo werd de eerste versie van The Windmill Massacre geboren, in december 2013.

Mijn aanvankelijke inspiratie kwam uit The Crossed, een comicreeks over een zombieplaag die ik iedereen afraad, tenzij je een maag en gestel van roestvrijstaal hebt. Het uitgangspunt vond ik echter wel interessant: in Crossed zijn het niet de zombies, maar de overlevenden die het elkaar moeilijk maken. Mensen teisteren zichzelf. Ze teisteren elkaar. Verzwijgen en liegen, in dusdanige mate dat je bijna de kant van de apocalyps gaat kiezen. Ik vroeg me af of dit gegeven ook in een slasher-film zou werken: mensen die zichzelf gek maken met hun onverwerkte trauma’s, angsten en vooroordelen. Tot het punt waar het niet eens meer uitmaakt of de psychotische moordenaar in kwestie wel of niet bestaat.

En zo werd The Windmill Massacre een verhaal over mensen die proberen harder te rennen dan hun trauma’s. Die zijn blijven steken in oude angst en pijn en daarmee die angst en pijn worden. De mythische molen was zijn eigen variatie op dat thema: in de 16e eeuw had er een jonge familie gewoond, die ten onrechte was beschuldigd van hekserij en in hun eigen molen was verbrand. Dat ik wederom vol goede moed begon aan een film over mentale wonden – zonder lang stil te staan bij mijn eigen situatie – was natuurlijk zijn eigen vorm van sluipmoordenaar. Maar soms hobbelt zelfinzicht jaren achter je aan voor je de zeis in je rug voelt.

Zelfinzicht. It follows.

Het was geen gemakkelijke opzet – een psychologische slasher horror over personages die ik tot hun breekpunt probeerde te vervlechten – maar de eerste versies werden goed ontvangen en de reviews waren positief. In een half jaar schreef ik zes versies en werkte zelfs met Nick aan een serie voor na The Windmill, een reeks van korte horrorverhalen.

Op de achtergrond voelde ik ondertussen wel hoe de druk toenam. Schrijven is een beschermd proces, maar produceren is dat niet – wat logisch is, want er gaan een hoop euro’s en belangen in om. Het stomme was dat ik weinig begreep van het productieproces. Ik hoorde de TellSell-verhalen – ik mocht mee naar Cannes, naar Amerika, Sam Raimi zou mijn script gaan lezen – maar op de realiteit, een internationale productie, kreeg ik weinig vat. Maar ik hoopte snel bij te leren. Gelijktijdig met The Windmill schreef ik De Ontsnapping, ook als groentje in een ervaren team, en daar werd ik geduldig aan de hand genomen. Ik leerde over sponsors (een douchescène voor Andrélon, een opstijgend vliegtuig voor de KLM) en over doelgroepen (de cappuchinodrinkende plattelandsvrouw). Niet de meest romantische kant van het scenarioproces, maar in een commerciële film moet je de belangen kennen en meewegen, dat is nu eenmaal hoe het is.


Review van een van de eerste scenarioversies die ik schreef

Bij The Windmill werd het plaatje echter nooit compleet, wat tot een vreemde frictie leidde. Enerzijds bleef ik positieve mails krijgen over mijn versies, verhalen over ‘participerende partijen’ die zich aansloten vanuit Amerika, LA, het productieproces dat steeds meer vorm aannam. Anderzijds waren er soms paniekerige telefoontjes dat alles anders moest, zonder dat ik precies begreep waarom. Op één avond schreeuwde Nick door de telefoon dat ik een eiland was, dat er niet met me te werken viel, dat ik volstrekt mijn eigen ding aan het doen was. Ik had geen idee wat er aan de hand was. Had me dan een keer meegenomen, dacht ik later. Jonge schrijvers zijn misschien een leuke budget-aanschaf (‘zolang niemand weet hoe goed ze is, is ze hartstikke goedkoop,’ grapte Nick een keer tegen de producent) maar wat je bespaart aan kosten, moet je wel compenseren in kennis en begeleiding.

Anderzijds kan ik het ook niet laten om te zwaaien met de zeis van zelfreflectie: ik zat niet op de beste plek in mijn leven. In de psychologie bestaat de Stress Top 10, de tien meest stressvolle gebeurtenissen die kunnen plaatsvinden in een mensenleven. In ons leven, op dat moment, hadden we die bingokaart twee keer vol. Binnen één jaar. Alleen al tussen versie 6 en 7 zaten we in een hals-over-kop verhuizing, een dreigende rechtszaak en het overlijden van mijn oma. Wat me geen nominaties zal hebben opgeleverd voor Meest Ontspannen Werknemer Van Het Jaar. Naast het feit dat ik ook in dit script – net als in De Ontsnapping en Het Verdronken Land – zonder enige supervisie aan het graven was in mijn eigen pijnpunten.

.

.

En dat is wat creatieve samenwerkingen soms zo lastig maakt. Het zijn in feite een soort liefdesrelaties: iedereen stapt aan boord met de beste intenties. Maar zodra de druk toeneemt, worden haarscheurtjes ravijnen. En film kent nogal wat druk: tijd, geld, belangen van investeerders, de noodzaak voor succes. Je bent zo gewild als je laatste honderdduizend bezoekers, 5-sterren recensie, gouden diersoortbeestje van dit en dat festival. De marge voor falen of experimenteren is niet zo breed. En veel creatieve samenwerkingen zijn niet bestand tegen die druk.

Ook bij The Windmill kwamen steeds meer scheuren in het doek, al zag ik die pas achteraf. Op het moment zelf gebeurde er iets vreemders. Na 7 versies en een Amerikaanse vertaling viel het project plots van de radar.

Ik dacht eerst dat er hetzelfde was gebeurd als bij Mara, dat partijen zich hadden teruggetrokken en het project een stille dood was gestorven. Maar dat was eigenaardig, aangezien de laatste berichten optimistisch waren geweest. Ik wachtte. Op mijn mails kwam geen antwoord. De Windmill-Facebookpagina werd niet meer geupdate. Maanden gingen voorbij. Ik kreeg een Vrijplaats en nieuwe filmaanbiedingen. Langzaam begon ik het project te vergeten.

Het was een jaar later dat ik een foto voorbij zag komen, op één van de social media accounts van Nick. Een mistig landschap met een molen en een #locatiescouting. Ik deed een rondvraagrondje, of er iemand meer wist en eindelijk kreeg ik antwoord van Daniël, de producent, kort en zakelijk. ‘De Amerikaanse partners’ zagen niets in mijn werk, dus was Chris W. Mitchell ingehuurd om mijn scenario tot een ‘commerciële en conventionele’ versie te herschrijven. Of ik gelijk het bijgaande contract kon ondertekenen, waarmee ik afstand deed van al mijn rechten. Niet alleen voor dit universum, maar ook voor alle nog onontdekte planeten en tijdlijnen. Even wist ik niet of ik moest lachen of huilen. Toen belde ik mijn advocaat.

Uit de syllabus “Contracten die je beter niet kunt ondertekenen”

Nu had ik het eerder over ‘plagiaat’, maar dat is eigenlijk niet de juiste term. Wanneer je een idee of werk van iemand anders overneemt, is dat officieel inbreuk op auteursrecht. Breng je vervolgens veranderingen aan (‘verminkingen’ volgens juridische termen), dan schend je ook nog het persoonlijkheidsrecht, de band tussen monster en Frankenstein, werk en maker. Wat in dit geval gebeurd was – want niemand had met me overlegd over een tweede auteur, zelfs ooit maar gehint naar die mogelijkheid. En nu lag er een ander script, werd ik vriendelijk naar de uitgang verwezen en moest ik afstand doen van al mijn plot en personages, voor deze versie en alle mogelijke sequels en prequels.

Ik was met stomheid geslagen. Alle jaren had ik op Goed Vertrouwen gewerkt, zonder contract, zonder uitzicht op een concrete vergoeding. Er waren enkel vage beloftes geweest: geld zodra er investeerders of subsidies binnenkwamen, een mogelijke regie-credit, opbrengsten uit dvd-verkoop, winstmarges. Ook dit, lieve kijkbuiskinderen, is een naïeve beginnersfout uit mijn rijke oeuvre aan goedgelovigheid. (Waar ik nog altijd stevig aan doortimmer, want recent overkwam me samen met Arnout precies hetzelfde bij de theaterproductie Tracing Thomas. Het is tragisch, maar helaas, schrijvers zijn van nature niet uitgerust met het beste buitenwereldpantser. Of ik althans niet).

En het stomme was: ik zou niet eens boos zijn geweest, als iemand het fatsoen had gehad om het gesprek met me aan te gaan. The Windmill Massacre was niet mijn hartenproject, het was een opdrachtfilm en als Isa Hoes moet douchen met Andrélon, dan laat ik Isa Hoes douchen met Andrélon. Bovendien was het scenario echt niet perfect. Toen ik het na het zien van de film teruglas, merkte ik hoe bomvol het zat, met gebeurtenissen, personages, flashbacks. Maar ik was – en ben – gretig om te leren, zeker van goede meelezers en scriptdoctors. Schrijven is beeldhouwen, tot het simpele silhouet overblijft.

Tenslotte hoeft een team, net als een relatie, echt niet krampachtig bij elkaar blijven. Ik hoef niet koste wat het kost bij een project betrokken te blijven, zeker niet als het de uitkomst hindert. Maar dan wil ik wel een eerlijke vergoeding voor mijn werk – en heldere communicatie. Wat me nu allebei ontnomen werd. Na een eindeloos potje touwtrekken door mijn onvermoeibare advocaat werd ik uiteindelijk uitgekocht met een lullig gokspel: ik kon óf gegarandeerd 10.000 euro krijgen óf 18.500 als de film er daadwerkelijk zou komen (ter vergelijk: een scenario kost normaal tussen de 25.000 en 48.000 euro, afhankelijk van het aantal jaren werk). Maar gokte ik dat laatste en zou er iets misgaan in het productieproces dan stond ik op straat met niets.

Aangezien ik op dat moment twee bingokaarten vol levensstress had en geen ruimte voor ook nog een ronde contractueel Holland Casino, koos ik voor de veilige optie. Waarmee mijn laatste restje sympathie voor deze productie vervloog. Ik had jarenlang goed, goedkoop en vaak gratis werk geleverd, stressvolle deadlines gehaald ten koste van mijn familie en mijn gezondheid. En nu werd ik voor een minimumbedrag in een zompig weiland geparkeerd. Tegen collega’s zweeg ik over wat er gebeurd was, bang als ik was voor de consequenties voor mijn carrière. Maar ondertussen hoopte ik dat een Molenaar ergens een streepje op zijn karmakalender zette.

This isn’t hell, this is copyright.

Maar dat was toen, 2013, 2016. En dit is nu – 2019. Waarin ik beter begrijp dat het in film soms niet persoonlijk is – maar financieel. Waarin ik een heleboel meer heb geleerd over zelfrespect, grenzen en professionaliteit. En waarin ik eindelijk op de bank kan zitten om de vraag te beantwoorden die me al jaren achtervolgt: wat zou er eigenlijk van die hele film geworden zijn?

Het antwoord is: iets vreemds. Althans voor mij. Maar dat is ook omdat ik het verhaal en de personages sinds hun geboorte ken: het topmodel Ruby dat letterlijk aan een verstoord lichaamsbeeld lijdt, oncoloog Jonah (Nicholas) die de kanker van zijn vrouw niet heeft kunnen genezen, Jackson die in een stupide mannelijke weddenschap een travestiet heeft mishandeld. In de huidige Windmill Massacre zijn al deze mensen echter moordenaars zonder berouw, die door het Duivelse figuur van de Molenaar geboond om hun loon worden. Ruby heeft een ander topmodel laten ombrengen, Jackson heeft een prostituee vermoord, Nicholas zijn patiënt. Zelfs Curt, die 14 is en oprecht niets heeft gedaan, wordt bloederig aan het spit geregen. Wat de hele film zo’n lege en zinloze ondertoon geeft, dat ik het moeilijk vond om te blijven kijken. Geweld om het geweld. Het is het soort horror waar ik weinig plezier aan beleef. (Maar dat het goed doet op de Amerikaanse markt? Ik zal het nooit weten).

En toch heb ik me bij tijd en wijlen ook vermaakt. Dokter Nicholas (die in de oorspronkelijke versie de achternaam van mijn oma had – Van den Belt) wordt gespeeld door Noah Taylor, een acteur die ook meedeed in een van Arnouts favoriete films: Shine. Jackson is een verwijzing naar Jackson Felix, een man die op zeker punt in mijn leven veel heeft betekend. En Jennifer tenslotte is niet voor niets Australisch: haar nationaliteit is een grapje omdat Camilla’s ouders, in de tijd dat ze Arnout ontmoette via internet, bang waren dat hij een Vlaamse bijlmoordenaar zou zijn. Het zijn kleine stukjes die ik van mezelf herken, in een film die op alle andere punten mijlenver van me afstaat. En waar weinig van overblijft na de aftiteling.

Maar dat maakt het afscheid uiteindelijk misschien wel makkelijker. Van wat de film had kunnen zijn. Van oude pijn die inmiddels vervangen is door mildere inzichten. Heeft het zin om oude wonden te blijven likken, veroorzaakt door mensen die toch nooit sorry zullen zeggen? De zeis komt toch wel. Niemand kan harder rennen dan zelfinzicht.

Of zoals De Dood zelf zegt, een van mijn lievelingskaarten uit het Orakel-deck van Camilla: laat los wat je ontgroeid bent. Wat voor mij de essentie is van de mooiste horrorverhalen – en van het leven in het algemeen. Alleen als je oude dingen laat gaan, is er ruimte voor iets nieuws. Wat stil blijft staan, verrot. En dat geldt ook voor oudere versies van jezelf, die je niet als dood gewicht achter je aan moet blijven slepen.

Daarom bij dezen: The Windmill Massacre, jij raar misvormd schepsel uit de schrijfhel, het is tijd dat onze wegen scheiden.

Het ga je goed.

Uit mijn oude Windmill Massacre playlist