Het Wonder van Den Haag

Posted on Nov 8, 2014

Het was niet de eerste keer dat God naar Nederland kwam om een wonder te verrichten. In 1958 verscheen Hij ook, voor 100.000 mensen op het Malieveld in Den Haag.

‘Voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis,’ zo vertelt de prediker, ‘vervoerde de ambulancedienst geen mensen naar het ziekenhuis, maar nam ze mee. Naar hier.’

Er wordt geapplaudisseerd. Handen gaan de lucht in. Als we een lied zingen over de grootsheid van God prikt het kippenvel op mijn armen, al weet ik niet precies waarom.

.:.

Toen we naar de tent liepen, waren we nog een beetje giechelig. Sinds een jaar of drie dompelen we ons met enige regelmaat onder in subculturen, Wietske en ik. Het begon ooit met een bingoavond in de Haagse Schilderswijk, waar we op moordend tempo werden weggespeeld door de bingo-elite in tijgerprint, en vanaf daar was onze nieuwsgierigheid niet te stuiten. We belandden op een fetisjfeest, een Holi-viering, een truckerfestijn en de Paranormaalbeurs. Waarbij we één gouden regel hanteerden: mensen zijn geen dierentuin. Dus om echt te begrijpen wat anderen beweegt, doen we mee. Waar we ook zijn.

Dus zing ik, uit volle borst, in de Genezingsdienst van pastor Wayman Mitchell op het Malieveld. Eerst ‘Ik hou van uw Uw aanwezigheid’. Daarna ‘Prijs Adonai’ en ‘Heilig is de Heer’. Bij lied nummer vier, ‘U bent God alleen’ is het enthousiasme van de klappende menigte definitief op me overgeslagen. Ik denk niet meer aan mijn socialistisch-feministische voormoederen, brother Justin of de spellingsregels van de Nederlandse taal.

‘U bent God alleen,’ zing ik, alsof ik nooit anders heb gedaan. ‘U bent op de troon.’

Een klein blond meisje op de rij voor me plukt verveeld aan haar zondagse jurk, vangt de bestraffende blik van haar moeder en heft snel haar handen in de lucht.

.:.

Dan verschijnt Pastor Mitchell ten tonele. Hij is ver in de zeventig, maar net als de predikers voor hem, spreekt hij in korte, blaffende zinnen. Over genezing. Over mentale kracht. Over zonden die het lichaam verzieken. En vooral, over de vele wonderen die hij in naam van God heeft verricht. Een week geleden nog in Florida, waar hij een manke vrouw heeft laten lopen. Twee weken daarvoor in een bevriende gemeente, waar hij de kanker uitdreef van een bijna opgegeven patiënt. Ik kijk achterom, naar een moeder die de woorden in het Spaans vertaalt voor haar verlamde zoon. Naar een Aziatische prediker, die in een microfoon prevelt tegen de twee achterste rijen: allemaal Aziaten, met grote, ouderwetse koptelefoons. Tenslotte kruist mijn blik die van de broeders, die alle uitgangen van de tent bezetten in driedelig grijs en snel kijk ik weer naar het toneel.

Aan de voeten van pastor Mitchell hebben de zieken zich verzameld. Mensen met uiteenlopende gezondheidsklachten die hopen op de genezende hand van God. Ze moeten hun naam en telefoonnummer achterlaten ‘voor nazorg’ en dan worden ze één voor één het toneel op gehesen. Een vrouw met een longprobleem. Een man met een hernia. Een jongen die nauwelijks meer kan bewegen van de rugpijn.

‘Wat zei de dokter?’ vraagt pastor Mitchell.

‘Dat ik rust moet nemen,’ zegt de jongen.

Er klinkt gelach vanuit de zaal. En daarna geklap, als pastor Mitchell een hand op het hoofd van de jongen legt en de pijn uitdrijft.

‘The blood of Jesus sets me free!’ roept hij.

De handen in de zaal gaan weer omhoog en naar voren, als om de woorden van de pastor kracht bij te zetten.

‘Right now! Loose him! And let him go free!’

De rugpijn is weg. De jongen buigt naar voren om het te bewijzen, onder een daverend applaus. Na hem volgt een meisje met een misvormde heup. Een vrouw met ernstige hoofdpijn. Ik merk tot mijn verbazing dat ik al een kwartier niet meer heb geklapt.

.:.

Een laatste jongen wordt naar voren geroepen. Geëmotioneerd vertelt zijn moeder wat het probleem is; haar zoon heeft al jaren last van hartruis.

‘En als ik zo vrij mag zijn,’ zegt pastor Mitchell. ‘Waar is je man?’ En als de moeder hem verbaasd aankijkt: ‘Dat vraag ik niet voor niets, want het is een bekende medische afwijking: kinderen die buiten het huwelijk worden geboren hebben vaak last van hartproblemen.’

.:.

Na de laatste genezing wordt er weer gezongen. Daarna buigen we ons hoofd om de collecte te zegenen.

‘Vrijgevigheid is een grote deugd,’ zegt de prediker. ‘Plus, Staatsbosbeheer vraagt 10.000 euro voor alleen al dit stukje grond.’

Ik probeer de blik te vangen van het blonde meisje voor me, maar die zit omgekeerd op haar stoel en staart nieuwsgierig naar de Spaanse jongen met het verlamde gezicht. Als ze ziet dat hij terugkijkt, glimlacht ze naar hem. Dan trekt haar moeder haar weer terug op haar plaats.

‘Hij is opgestaan,’ zingt ze haar dochter voor. ‘Want hij is de Heer.’

.:.

Nog voor het lied helemaal is afgelopen, haasten Wietske en ik ons naar buiten.

En worden binnen drie stappen staande gehouden.

‘Dames!’

Het is een blonde vrouw die achter ons aantript op hoge hakken. Het gaat moeizaam in het zand. ‘Was dit jullie eerste keer?’ vraagt ze. ‘Fantastisch hè?’ Ze vertelt over haar eigen ervaringen. Hoe ze jarenlang de Bijbel las, een goed mens probeerde te zijn, maar het niet voelde. Tot ze hier, in deze Gemeente, voor het eerst in aanraking kwam met Zijn aanwezigheid. ‘En jullie?’

Ik kijk haar aan. En voel, voor het eerst in deze hele onderneming, hoe ik in conflict raak met mezelf. Ik wil de vrouw oprecht begrijpen. De schoonheid zien van wat zij ziet. En dat misschien wel kunnen beamen. Maar tegelijkertijd voel ik me vreemd en leeg. Schuldig zelfs. Niet alleen omdat ik met overgave foutieve syntax heb staan zingen. Maar vooral omdat ik heb geklapt voor de wereld van Wayman Mitchell. Een wereld waarin doktoren worden weggelachen. En waarin liefde die buiten de regels valt, wordt gestraft met hartruis.

.:.

Op dat moment onderbreekt een reddende engel het gesprek. De echtgenoot van de vrouw heeft zich aan haar zijde gevoegd en zegt dat ze moeten gaan. Pastor Mitchell heeft een jetlag en enorme honger. De vrouw verexcuseert zich. En laat ons achter met een stapeltje papieren en de mededeling dat we zéker nog een keer terug moeten komen. Dan is ze verdwenen, op wiebelende enkels, terug naar de tent.

We zeggen niets, als we het Malieveld verlaten. Ik kijk naar de folder, die vol juichende teksten staat (‘Ontwaakt uit coma, genezen van verlamming!’ en ‘Voortdurende hoofdpijn door hersenschudding, God raakte me écht aan, 100% genezen!’) en het formulier daaronder, een automatisch machtigingsformulier, ‘aftrekbaar van de belasting!’

Dan hoor ik het gezang weer, achter ons in de tent, het lijkt eeuwig door te gaan.

‘Elke knie zal buigen,’ klinkt het. ‘Elke tong zal belijden. Want Jezus, Hij is de Heer.’

En weer krijg ik kippenvel, al weet ik niet precies waarom.