Evolutie

Posted on Jun 20, 2005

(gepubliceerd in één of andere Aiaiai, ik weet niet meer welke)

Ik kwam Evolutie tegen op een duf congres in Amerika. Het was een enigszins gênant moment: sinds we elkaar in een snikhete zomer drie jaar geleden de kleren van het lijf hadden gerukt, hadden we geen contact meer gehad. Nu zat mijn voormalige liefdesgod aan de bar, met zijn hoofd in zijn handen en een cirkel van lege whiskeyglazen rond zijn ellebogen.

“Jezus Christus,” zei hij toen hij mij naast hem aan de bar zag schuiven. “Ook dat nog.”

“Dat is lang geleden,” zei ik.

Hij zei niets, maar maakte een gebaar naar de ober dat hij een glas whiskey voor me in moest schenken. Voor ik kon protesteren had Evolutie zijn eigen glas en het mijne voor zijn rekening genomen en was verder voorover naar de bar gezakt.

“Ik ben depressief,” zei hij. “Ik ben allemachtig depressief.”

“Oh?” zei ik.

“Dit rotgedoe,” zei hij.

“Het congres?” zei ik. Ik moest toegeven dat het geheel niet bijster interessant was en de sprekers buitengewoon slaapverwekkend, maar mijn viersterrenhotel en het mooie weer waren beiden dik in orde. Daar waar mijn afwezigheid niet teveel in het oog liep, verplaatste ik me onopvallend naar mijn privé jacuzzi op de zeventigste verdieping van mijn hotel en bestelde een dienblad vol cocktails op kosten van de organisatie. Ik ben gek op de wetenschap.

“Dit rotcongres, ja,” zei Evolutie. “Ik weet niet waarom jij hier bent, maar mijn aanwezigheid, het is me vandaag allemaal duidelijk geworden. Profiteurs zijn het. Smerige profiteurs.”

“Wie?” zei ik. Ik snapte er niets van.

“Die smerige managers,” zei Evolutie. “Die achterbakse directeuren! Tien jaar geleden was ik hier ook. Precies tien jaar geleden. Weet je wat ze me toen vroegen? Of ik niet iets kon doen voor de visindustrie. De lichaamsvorm van de vissen aanpassen bijvoorbeeld. Vierkante vissen met een doorsnede van negen centimeter zouden veel beter in de verpakkingen passen.”

“Tjonge,” zei ik.

“Daarna of ik geen voorspellingen kon doen over de ontwikkelingen van de komende tien jaar. Zodat de commercie naadloos bij de behoeften van de mensheid zou kunnen aansluiten. Of de mensen met overgewicht eindelijk uitgeselecteerd zouden worden, omdat uit één maatje tweeënvijftig drie kledingsstukken voor slanke vrouwen zouden kunnen worden gesneden.”

“En wat zei jij?” zei ik.

“Wat denk je?” zei Evolutie. “Ik heb ze fijntjes herinnerd aan mijn stelregels: geen determinisme, geen gepland doel en geen andere voorkeuren dan de voorkeuren der natuur. Prima, zeiden ze. Ik kon gaan. Ze zouden zelf wel het één en ander oplossen.”

“Ja dat hadden ze gedacht,” zei ik. “Maar ze konden toch niet helemaal zonder je. Want dit jaar stond je mooi weer op de gastenlijst.”

Evolutie snoof. “Weet je waarom ze me hebben laten komen?” zei hij. “Om me te vernederen. Om me te laten zien dat ik overbodig was geworden. Natuurlijke selectie? Ze lachten me uit. Alsof ik nog op kon tegen hun bio-industrie, hun gekloon, dna-gerotzooi, plastische chirurgie! Weg met de natuurlijke beperkingen en schaarste! Iedereen heeft geld genoeg om zich aan de lopende band vol eten te stoppen. Oorlogen worden verplaatst naar derde wereldlanden, zwakke genen bevrucht door anonieme zaaddonoren of omgebouwd volgens het heersende schoonheidsideaal. Die hele genenpool is één grote janboel waar ik geen vat meer op kan krijgen.” Hij zuchtte diep. Ik betaalde zijn volgende glas whiskey. “Jaar in, jaar uit heb ik trouw mijn werk gedaan,” ging hij verder, terwijl hij een grote slok uit zijn nieuwe glas nam. “Het kostte wat, maar dan hadden ze ook wat. En nu, nu ben ik gewoon geautomatiseerd. Ik ben vernederd en aan de kant gezet. En wat nu? Wat moet ik nu?”

“Niet zo somber,” zei ik bemoedigend. “Je kon altijd erg leuk tekenen. Je komt vast wel ergens anders aan de slag.”

“Ergens anders aan de slag?” zei hij. “Op mijn leeftijd? Nee, het is voorbij. Voorgoed. Van de ene op de andere dag werkeloos. Nutteloos. God, wat voel ik me beroerd.”

“Tja,” zei ik. Ik wist niets bemoedigends meer te zeggen.

“En hoe gaat het met jou?” zei hij uiteindelijk. “Ik neem aan dat jij ook nog steeds denkt dat gedichten schrijven, wijn drinken en met nietsnutten vrijen in je voordeel werkt?”

“Ik heb net Zelda uitgespeeld,” zei ik.

“Cool,” zei hij.

We zwegen, Evolutie en ik. We zwegen, dronken en lieten ons genadeloos uitselecteren.