De zilverschat van Utrecht

Posted on Feb 4, 2011

Vorig jaar maart kwamen de eerste schepen. Logge gevaartes met hoge kranen om de bagger van de bodem van de Oudegracht te schrapen. Een fascinerend gezicht als je er langs loopt: die grote ijzeren bekken, druipend van de grijsgrauwe smurrie en hier en daar een onverteerbare fiets. Maand na maand, hap na hap is zo langzaam de bodem van de Oudegracht in de klotsende buiken van de baggerschepen verdwenen. En daar kunnen wij Utregers alleen maar dankbaar voor zijn, want met meer dan enkeldiep water is de stank van de grachten een stuk beter te harden in de zomer.

En toch laten we ons een beetje voor de gek houden. Want natuurlijk gaat het de gemeente om het stadsgezicht en is het Waterschap verantwoordelijk voor goed toegankelijke waterwegen, maar toen ik gisteren op de Viebrug naar de baggerschepen stond te kijken, besefte ik: er is meer aan de hand.

De schepen liggen namelijk al dagen stil op een bepaalde plek van de Oudegracht en graven fanatiek naar een bodem die in dit tempo al lang bereikt had moeten zijn. Misschien niet opvallend voor de argeloze voorbijganger met Hema, Bijenkorf, Broodje Mario in het vizier, maar als je de geschiedenis van Utrecht een beetje kent dan weet je dat deze plek niet toevallig is: het water bij de Oude Muntkelder.

Oftewel: de plek waar de grootste zilverschat van Utrecht schijnt te liggen. Want laten we eerlijk zijn: wie maalt er in deze magere tijden van bezuinigingen nou werkelijk om stadsgezicht?

.:.

De geschiedenis van de Munt in Utrecht bestrijkt bijna een millennium, van de bisschoppelijke munten in de 10e eeuw tot de abominabele pannenkoeken van het huidige decennium.

De zilverschat ligt er echter net iets meer dan twee eeuwen; het was rond het jaar 1800, toen de strakke hoge herenbroek een onmisbaar fashion item was geworden en Utrecht officieel was ingelijfd als provinciestad van Frankrijk.

Lodewijk Napoleon, u weet wel, de nieuwe vorst van Koninkrijk Holland die zich ter ere van zijn victorie een plakkerige emolok liet aanmeten, had alle munthuizen van Holland laten sluiten op de ‘s Rijks Munt in Utrecht na (die zich in het St. Ceciliaklooster bevond, later gesloopt en vervangen door het huidige postkantoor op het Neude). Vanaf 1806 werd hier het geld van Koninkrijk Holland geslagen, jawel, francs en centimes dus, want het was hier tenslotte even tijdelijk Côte d’Kloteweer (wat ook geen grapje is, want de reuma van Lodewijk Napoleon hield zich niet zo best in onze herfstregen, zodat hij zijn nieuwe paleis aan de Drift maar liet voor wat het was).

.:.

Maar die zilverschat dus, want hoewel er ongetwijfeld ook boeiende verhalen te vertellen zijn over de reuma van Lodewijk Napoleon, heeft een verstopte kist vol zilveren munten net iets meer van dat je ne sais quoi. Of gezonken munten moet ik eigenlijk zeggen, want de geschiedenis verhaalt over een getalenteerde, maar niet zo fortuinlijke muntenstempelaar die omstreeks 1810 in de Oude Muntkelder werkte, de stempelarij die bij het munthuis op het Neude hoorde.

De oude muntstempelaar was ooit een iets stabielere kerel geweest, maar sinds de dood van zijn vrouw en de arrestatie van zijn oudste zoon bij de rellen tegen de dienstplicht, had hij nogal de neiging om de donkere randen van zijn dag te drinken. En nu zijn oudste zoon hem niet meer kon helpen, was de muntenstempelaar aangewezen op zijn eigen trillende handen en het prutswerk van zijn jongste, Gijsbertus, die het goed bedoelde, maar niet per se een carrière in de muntenstempelarij zou moeten ambiëren. “Boeken Gijs”, zoals de andere jongens hem plagerig noemde, was op dat moment net 11 jaar oud.

En de pineut toen op een koude middag in november een vracht zilveren munten van de werfkelder moest worden verscheept.

Vader en zoon hadden weken gewerkt om de vracht op tijd klaar te hebben (het aanhoudende pokkeweer en gemor van de Nederlandse bevolking had niet de beste uitwerking op het humeur van de Franse bezetter), maar ze hadden tijd en handen tekort, zodat de oude muntstempelaar nog last minute aan het werk was terwijl Gijs de boot aan de kade bewaakte. Een jochie van elf hè, in een stad die van oudsher bekend staat om haar bokkige bewoners. Het verderfelijke Utrecht, waar hoeren naast heiligen wonen en waar de bevolking het de afgelopen eeuwen alles behalve makkelijk had gehad.

.:.

Het was dus een kwestie van tijd voor de eerste schurftige stumpers op de Viebrug de zilverboot in de gaten kregen, bewaakt door een kabouter met magere benen.

En even later had Gijs het gevoel dat ze overal vandaan kwamen, uit de hoeken en gaten van de werfkelders, langs de brug naar beneden, over de hobbelige werven.

Als een stroom ratten stortten ze zich hongerig op de kleine jongen en de boot vol zilveren munten, die in het gedrang los was geraakt van de kade. Dat hield de wanhopige gelukszoekers echter niet tegen en verschillende mannen en vrouwen waagden de sprong over het water.

Het duurde niet lang voor de boot met munten en al kapseisde in de gracht en de mensen aan boord zich realiseerden dat ze handen vol zilveren munten hadden, maar geen zwemdiploma. Woedend leegden de drenkelingen hun zakken in het water en wisten met behulp van touwen aan de kant te komen.

“Wacht maar tot het voorjaar is,” proestten ze nog tegen elkaar voor ze afdropen. In het voorjaar zouden ze het opnieuw proberen. Een hele winter om de borstcrawl te oefenen, dat was makkelijk te doen.

.:.

Maar zo ver is het nooit gekomen, want het duurde niet lang of de oude muntenstempelaar kreeg in de gaten wat er was gebeurd. En hij had niet zijn beste dag, een burn-out van al die verdomde munten, een kater die tegen zijn voorhoofd schopte en het vooruitzicht van een scheldkanonnade in een taal die hij verfoeide en ook niet echt verstond, maar die ter verduidelijking vaak gepaard ging met een jaartje of wat eenzame opsluiting.

In dat vooruitzicht richtte de woede van de muntenstempelaar zich op het enige slachtoffer binnen zijn bereik: de kleine Gijs. Hij dreigde met allerhande pedagogische maatregelen die in het begin van de 19e eeuw nog populair waren, als Gijs niet zou zorgen dat de munten vóór middernacht boven water kwamen. En nee, het kon niet wachten tot morgen. Al had de zon het inmiddels voor gezien gehouden en sneed de winterkou als een mes door hun kleren.

.:.

Gijs verbeet zijn tranen en de pijn van het ijskoude water en liet zich voorzichtig in de gracht zakken. Zonder Waterschap was de Oudegracht behoorlijk diep en in de avondlucht was de bodem in het zwarte water niet te zien. Maar Gijs wilde zijn vader niet teleurstellen, zoog zijn longen vol lucht en dook naar de bodem.

.:.

De zoon van de oude muntenstempelaar werd nooit meer teruggevonden. Sommige zeiden dat het water zo koud was dat hij in zijn duik naar de bodem versteend was. Anderen zeiden dat hij was gegrepen door de nekkers, de geesten van het water, die verzot zijn op jonge kinderen, vooral vers gekoeld.

Beide verhalen werden bevestigd door de schatzoekers, die met de eerste lentezon hun pas verworven borstcrawl in de gracht kwamen demonstreren. Ze doken dapper naar de bodem, nog steeds met zilveren munten en rijkdom in gedachten, en kwamen stuk voor stuk proestend en hijgend weer naar boven.

Sommigen waren met hun handen op een kleine, versteende jongen gestuit, die in die aanraking plots zijn hoofd in hun richting had gekeerd.

Anderen hadden de nekkers gezien, Gijs in hun midden, hun gruwelijke kaken opengesperd, en hadden maar net op tijd weten te ontkomen.

Een verwaande officierszoon, die bekend stond als een blaaskaak en een durfal, zou bewijzen dat al die volkspraat “puur bijgeloof” was en waagde de sprong vanaf de Viebrug. In zijn eerste poging haalde hij een handvol zilveren munten naar boven. Bij zijn tweede poging verdronk hij.

.:.

En zo bleef de zilverschat van de Oudegracht verborgen, jaar na jaar, eeuw na eeuw. Tot nu, tot de baggerschepen, want de gemeente denkt schijnbaar dat grote boten de nekkers wel af zullen schrikken. En eerlijk is eerlijk, voor een zak vol zilver, wie zou de gok niet wagen?

De gemeente moet doen wat ze niet laten kan.

Maar ik? Ik loop voorlopig met een grote boog om de Viebrug heen.

10 Comments

  1. En hoe is het afgelopen met de onfortuinlijke muntenstempelaar?
    Hij verloor in één dag de productie van enkele weken, een kostbare hoeveelheid zilver, en zijn jongste zoon. En de dag daarna mogelijk ook nog zijn baan en zijn vrijheid? Of is hij gevlucht?

    • Hahaha, dat vertelt het verhaal helaas niet. Maar goed, dat is een beetje het lot van bijfiguren in sprookjes en legendes 😉

  2. Heerlijk verhaal, dank je wel!

    Suus

    • Immer graag gedaan! 😀

  3. Ik ben trouwens dol op verhalen waarvan een deel duidelijk waar is (en verifieerbaar), een deel duidelijk onwaar, en waarbij het voor het grootste deel volslagen onduidelijk is of het waar is of niet waar. Dat is spannend.

    • En in Utrecht vind ik het vooral leuk omdat er in gebouwen en stenen nog zoveel resten te vinden zijn van die verhalen. Daar woon ik heel dankbaar middenin 😉

  4. Prachtig! Waar kan ik inschrijven voor de lokale horror…ehm…folkloreverhalentour?

    • Had je niet al ergens een reservering staan? 😀

  5. Nou maar wachten op de opening van Utrechts eigen variant van the London Dungeon…the Utrecht Nackers

    • Ik heb ooit een weekje stage gelopen bij deze mensen (http://www.stadsavonturen.nl/) en die timmeren flink aan de weg. Hun tours zijn ook echt heel erg leuk, een beetje in de stijl van de ghosttrails waar Engelsen zo dol op zijn.